Haast, overvloed, chaos, vertraging, verstilling, leegte, rust.
Negen seconden. Dat is de tijd die een toeschouwer gemiddeld naar een kunstwerk kijkt.
Kunst met een extreme leegte in zich legt het daarbij veelal af tegen overvolle, flitsende en snelle kunst. Grote leegtes vragen om een vrije, associatieve invulling door de beschouwer. En leegtes zorgen voor een vertraging van de blik van de toeschouwer. Een radicale keuze voor een kunstenaar dus, in een tijd waarin alles snel gaat en ook moet gaan.
‘Snel’ is het woord waarmee onze samenleving getypeerd kan worden. Het is een cliché, maar niet minder waar. We leven letterlijk in een snelle tijd – door verbeterde technologieën worden vervoersmiddelen steeds sneller, evenals computers en allerlei dagelijkse mechaniek – maar ook in ons gevoelsleven speelt dit hoge tempo zich af. De tijd lijkt alsmaar sneller voorbij te vliegen. De media leveren hier een bijdrage aan. We kunnen dankzij telefoon en internet razendsnel communiceren met iemand aan de andere kant van de wereld, op elk moment van de dag, vanaf welke locatie dan ook. Bovendien geven alle visuele prikkels die gepaard gaan met de continue informatiestroom en het beeldenbombardement het gevoel dat het leven rap gaat. Dit gevoel van snelheid speelt al veel langer. Morele paniek ontstond bij elke golf van technologische vernieuwing. Alleen is het pas in de recente geschiedenis een voldongen feit waar we niet uit kunnen stappen, willen we niet compleet buiten de maatschappij vallen.
Als reactie op een sterke tendens vormt zich in de loop der tijd altijd een tegenbeweging. Zo ook op onze snelle maatschappij. Sinds de oprichting van de organisatie Slow Food – in de tweede helft van de jaren tachtig in Italië – duiken uitdrukkingen als Slow Reading, Slow Politics en Slow Travel geregeld op. De Slow Food-beweging ontstond als reactie op de oprukkende fastfoodketen McDonald’s. Voor Slow Food wordt gebruik gemaakt van ‘eerlijke’ (fair trade en zonder kinderarbeid) seizoensproducten uit eigen regio die volgens traditionele bereidingswijzen worden klaargemaakt en tenslotte in alle rust genuttigd. De nadruk wordt verder gelegd op een (hernieuwde) bewustwording van eten en smaak. Deze gastronomische organisatie ontketende een wereldwijde rage van allerlei slow-bewegingen en kan zodoende gezien worden als het begin van de Slow Movement.
Ook kunstenaars hebben al vanaf het begin van de vorige eeuw op de versnelling van de maatschappij gereageerd. Het futurisme, het kubisme en pop-art kunnen als een lofzang op de veranderde en snelle maatschappij worden gezien. Meer recentelijk lijkt zich een tendens af te tekenen waarbij juist het fenomeen traagheid zich manifesteert in verschillende kunstdisciplines. Er wordt in de pers soms al gesproken van Slow Art, al kan je nog niet spreken van een stroming. Slow Art kan beschreven worden als kunst die zorgvuldig is uitgedacht, vakkundig en langzaam is vervaardigd, traag is in perceptie en een onthaastende werking heeft op de toeschouwer. Deze kunst biedt de beschouwer een besef van tijd en een euforie over het minieme en vraagt om concentratie. De kunst is autonoom, kenmerkt zich door kalme en verstilde beelden en het zich afzijdig houden van een nadrukkelijke ideologische of filosofische lading en van grote theorieën. Slow Art kent geen nieuwe thematiek of richtingen. De kunstenaars keren zich tegen de invloed van de markt en het publiek en zijn wars van hypes of spektakel. Zij gebruiken tot slot de traagheid in hun kunst als (bewuste) reactie op de snelheid waarmee beelden tot ons komen of op het vluchtige kijkgedrag van de zappende mens.
Kunstenaars die binnen deze trend zijn te scharen zijn onder andere het voormalig kunstenaarsduo De Rijke/De Rooij, Maaike Schoorel, David Claerbout, Melvin Moti, Bill Viola, Rezi van Lankveld en Dirk Braeckman. Opvallend is dat voornamelijk videokunstenaars worden genoemd. De hoofdzakelijke reden hiervan is dat het verloop van tijd inherent is aan video en film.
Traditie, regionaal cultureel erfgoed en ambacht zijn nauw verweven. De tendens van traagheid in de kunst kan daarom goed worden vergeleken met de recente renaissance van het ambacht, die ook als een tendens in de hedendaagse kunst wordt gezien. Sterker nog: in mijn optiek staat het in direct verband met elkaar. Traagheid doet zich hierbij voor als arbeidsintensiviteit.
De renaissance van het ambacht en de grote belangstelling voor traagheid door kunstenaars vallen samen met de veranderde tijdgeest aan het begin van de huidige, eenentwintigste eeuw. In het sociale leven is hevige kritiek gekomen op de globalisering en hiermee samengaand een hernieuwde interesse voor de canon, die in een mondiale, verwarrende, multiculturele maatschappij een toevlucht biedt naar de ordes van weleer.[1] En deze ontwikkelingen werken door op de kunst. Domeniek Ruyters schrijft in een Metropolis M uit 2009 dat dit decennium te boek staat ‘om zijn hoogst politiek incorrecte kunst, nostalgische inborst en traditiegebonden kunstproductie.’[2] Mama-initiator Boris van Berkum zegt het volgende: 'In de jaren negentig leek alles mogelijk. Nu zitten we met economische achteruitgang en terrorisme. Kunstenaars kijken weer naar hun geschiedenis, naar identiteit, ze doen onderzoek naar regionale wortels. Ambachtelijke technieken passen hierbij.'[3]
Zoals overeenkomsten te vinden zijn tussen de hernieuwde interesse voor het ambacht in de kunst en de tendens van traagheid, is er gelijkenis tussen de schilderkunstige tak van Slow Art en fundamentele kunst. Er lijkt zich het afgelopen decennium een herwaardering voor te doen voor deze gerichtheid op de wortels van de schilderkunst. Dit is ook wat de redactie van de recent uitgekomen essaybundel Now is the Time. Kunst & Theorie in de 21e eeuw schrijft: ‘Het ‘anything goes’ van de voorafgaande jaren maakte plaats voor een hernieuwde zoektocht naar de fundamenten van de kunst.’[4]
De term fundamentele schilderkunst is ontstaan naar aanleiding van de gelijknamige tentoonstelling in het Stedelijk Museum Amsterdam in 1975. Onder andere Robert Ryman, Gerhard Richter en Tomas Rajlich waren deelnemer aan deze tentoonstelling. De overeenstemmende mentaliteit van deze kunstenaars is de bezinning op de uitgangspunten van de schilderkunst. De term fundamentele kunst heeft dus betrekking op deze belangrijke expositie, waarbij de tentoonstellingsmakers tot doel hadden om een nieuwe tendens helder in kaart te brengen. De term wordt in Nederland ook wel breder getrokken om kunst mee te duiden die zich concentreert op de essentie van het medium. De ‘fundamentele schilders’, zoals in de tentoonstelling naar voren gebracht, doen onderzoek naar het ambacht, het proces van het schilderen zelf, doorgaans een langdurig proces. De textuur is van verf als verf en kleurvlakken zijn enkel en alleen kleurvlakken waarbij dieptesuggestie wordt vermeden.
Uit het feit dat de formele benadering, waaronder ambachtelijkheid en arbeidsintensiviteit, in tegenstelling tot grote theorieën en het engagement, geregeld als kenmerken van zowel de fundamentele kunst als van Slow Art worden genoemd, kan worden afgeleid dat deze richtingen duidelijke verwantschap met elkaar vertonen. Al wil dit niet zeggen dat er geen wezenlijke verschillen aan te wijzen zijn, zoals de nadruk op de abstractie en het anti-illusionistische van de fundamentele schilderkunst. De verf, de structuur, de richting van de kwaststreek, de substantie en de kleur spelen bij beide tendensen een zelfstandige rol in het schilderij. Naast de sterke gelijkenissen tussen de tendensen, heeft Slow Art wellicht zelfs een basis in de fundamentele kunst. Of zoals Domeniek Ruyters het ziet: ‘Traagheid als een nieuwe vorm van fundamentele kunst, als een gedachtebepaling, een startpunt van alle aandacht.’[5]
De kunstenaars van de tentoonstelling ‘Creating the Void’ passen duidelijk binnen deze algehele tendens. In hun werk keren ze terug naar de wortels van de schilderkunst. Ze doen diepgaand onderzoek naar het medium zelf. Echter, door een nadruk op aandacht, verdieping en concentratie keren ze zich – anders dan bij de ‘fundamentele schilders’, maar gelijk aan de ‘Slow Art-kunstenaars’ – tegen de vervlakking in de maatschappij en in de kunst. ‘Void’ staat in deze tentoonstelling, meer dan voor leegte, voor ruimte. Ruimte voor eigen invulling, ruimte om uit de versnelling tot rust te komen en weer de nadruk te leggen op de kracht van het zorgvuldig kijken.
Cathelijne Dapiran (1984) is kunsthistorica. Ze is afgestudeerd op het werk van Maaike Schoorel en de tendens van traagheid in de hedendaagse kunst. Ze schrijft op freelance basis voor het kunsttijdschrift Metropolis M en werkt mee aan een publicatie ter ere van het 100-jarig bestaan van kunstenaarsvereniging De Onafhankelijken.
[2] Domeniek Ruyters, ‘Redactioneel’, Metropolis M 30 (2009) nr. 6, p. 2.
[3] Citaat Boris van Berkum in: Merlijn Schoonenboom, ‘Ambacht beleeft terugkeer in de kunst. Kunstenaars schamen zich niet langer voor naald en draad’, de Volkskrant 6 maart 2004.
[4] Bouwhuis 2009 (zie noot 1), p. 5.
[5] Domeniek Ruyters, ‘Maatwerk’, Metropolis M 23 (2002) nr. 6, p. 12.