tekst Suzanne Wallinga

Bletheren

Wanneer we over schilderkunst spreken is er tegenwoordig geen reden meer om te denken dat deze een progressieve geschiedenis kent. In termen van een representationele vooruitgang was er sprake van een lineair model van de kunstgeschiedenis. Het betrof de taak van de schilderkunst om equivalenties van waarnemingservaringen te produceren, waardoor kunstgeschiedenis gebaseerd werd op de mate van representationele vooruitgang. Dit werd gevolgd door een benadering waarin de autonomie van het werk voorop kwam te staan en de artistieke handeling van de kunstenaar of een conceptuele benadering het werk bepaalden. De manier waarop binnen hedendaagse schilderkunst het eerder gangbare regime van de representatie of het modernistische van radicale autonomie - waarin het werk voornamelijk zelfkritisch diende te zijn - doorbroken wordt, laat zien waar tegenwoordig het ware onderzoek binnen de hedendaagse schilderspraktijk in schuilt.
Het op de voorgrond stellen van het proces van schilderen laat zien dat het voornamelijk draait om een opeenvolging van keuzen aan de hand van waar het materiaal om vraagt. Hierbij bepalen niet zozeer de geste of een rationeel tot stand gekomen compositie op het canvas of een als drager van het schilderij fungerend substituut, wat er gebeurt. Denkend over hoe het proces van maken en beschouwen van hedendaagse schilderkunst begrepen kan worden, kom ik terecht bij twee interessante posities.
              In het manifest “Fifteen Theses on Contemporary Art” behandelt Alain Badiou de vraag waar het volgens hem in hedendaagse kunst om draait: hoe niet formalistisch-Romantisch te zijn. Formalistisch duidt hier op het verlangen naar immer nieuwe vormen. Romantisch verwijst naar een welhaast obsessief verlangen naar het behandelen van thema’s rondom eindigheid, het lichaam, lijden, pijn, seks en de dood. Hoewel er over de beperkte geldigheid van deze uitspraak te twisten valt, iets waar ik later op terug zal komen, vind ik het binnen dit betoog over schilderkunst van belang om deze positie aan te halen. Zij leidt ons naar de kern van de betekenis van materiaalonderzoek in hedendaagse kunst. Badiou verwoordt de uitdaging waarvoor kunstenaars zich gesteld zien als volgt: “The impossibility of possibility and the possibility of impossibility. That is the real content of contemporary art. To escape that sort of situation is to state that something is possible, not all is possible, not all is impossible, but something else is possible […] you have to create the possibility of that thing which is not possible.”[1]
              Badiou spreekt in dit kader over een proces dat hij substractie noemt en dat te begrijpen valt als een specifieke houding ten opzichte van de behandeling van het materiaal binnen de kunstpraktijk. Substractie is op twee manieren van toepassing op de materiaalbehandeling, allereerst formalistisch. Substractie betekent binnen de artistieke handeling formele vernieuwing te willen vermijden, aangezien het verlangen naar nieuwe vormen, of deze nu een vernieuwing van kritiek, representatie of iets anders betekenen, altijd een bevestiging van het kapitalistische systeem zijn, en (binnen mijn interpretatie) reactionair en dus artistiek oninteressant zijn. Daarnaast betekent substractie niet geobsedeerd willen zijn door voormelde grote thema’s, omdat deze slechts het omgekeerde van de in onze maatschappij alomtegenwoordige ideologie van geluk tonen en geen waarlijk interessant perspectief opleveren. Substractie heeft tot gevolg dat er sprake is van een negatie, die een potentieel betekenisvolle leegte betekent.
              Een voorbeeld. Binnen het werk van de Britse kunstenaar Tom Gidley valt geen eenduidige stijl aan te wijzen. Hij spreekt zelf ook eerder van een kenmerkende manier van denken in zijn werk dan van een handschrift. In veel van zijn werk behandelt hij de psychologische disposities van de mens (in de ogen van Badiou hopeloos Romantisch). In Gidley’s indringende schilderijen zien we een veelheid aan stijlen en beeldtaal voorbij komen. Vaak tot stand gebracht door gebruik te maken van referentiemateriaal, oude foto’s of documentatie van performances uit de jaren zeventig. We zien vervaagde en gefragmenteerde lichamen die aan het werk van Francis Bacon doen denken, figuratieve portretten, ongedefinieerde veelkleurige vormen die op spermacellen lijken of alledaagse objecten en situaties tonen. Het zijn verstilde composities, vaak op het formaat van een klein portret. Bletheren (VI) (2009) onderscheidt zich duidelijk van alle andere werken.‘Bletheren’ is een woord dat afkomstig is uit een Brits-Keltische taal die gesproken werd in een gebied in Noord-Engeland. Het betekent zoiets als ‘speculeren over mogelijke gebeurtenissen’ en het werk lijkt precies dat te doen. Het schilderij toont een abstracte vorm die opgebouwd is uit grote, zwierige met elkaar verbonden en elkaar overlappende penseelstreken, in een mengeling van grijze en bruine tinten. De vorm bevindt zich in een picturale ruimte die door enkele eenvoudige schilderkunstige ingrepen tegelijkertijd plat aandoet en waarin de suggestie van ruimtelijkheid wordt gewekt. Het is een abstract werk waarin Gidley zonder duidelijk vooraf opgesteld plan te werk lijkt te zijn gegaan en waarin het proces van het maken centraal stond. In een gesprek met de kunstenaar Ryan Gander vertelt Gidley, wiens werk langere tijd voornamelijk bestond uit video’s, installaties en sculptuur, over zijn terugkeer naar het schilderen:

It’s a development and continuation of previous ideas but the big change was that at a certain point I became interested in materials again, in making things. I was working in a way which suited film, where I would plan work before it was executed, but it would only be executed when there was an exhibition to show it in. In the course of thinking about this I found myself making a painting. I finished it but I wasn’t quite sure what had happened […].”[2]

Het proces van het maken stond centraal en leidde tot een verrassende uitkomst voor Gidley zelf. Voor schilders is dit een gebruikelijke manier van werken: door een proces van schilderen en overschilderen vinden waar je naar op zoek bent. Bletheren (VI) refereert aan de geschiedenis van de schilderkunst, door de keuze voor het formaat van het doek en de gelijktijdige weergave en ontkenning van picturale ruimte en portret. Door de handeling van het schilderen van de zwierige vormen voorop te stellen maar niet uitgesproken op de voorgrond te laten treden. Tegelijkertijd gebeurt er meer. In tegenstelling tot andere werken van Gidley (die volgens Badiou minder relevant zouden zijn, maar waar ik binnen dit betoog geen waardeoordeel aan wil verbinden) lijkt dit werk zichzelf bestaansrecht te verlenen, het op te eisen zelfs, door de veelheid aan manieren waarop het materiaal zich met de ervaring verbindt. In mijn ogen is Bletheren (VI) hierdoor een voorbeeld van substractie te noemen.
          Jan Verwoert zegt in een essay over schilderen: “[…] painting, on the basis of its irreducible inner differentiatedness, produces its own form of rationalism.[3] Niet de intentie noch de intuïtie van de kunstenaar bepalen het werk, zegt Verwoert hiermee. Een schilderij vormt zichzelf aan de hand van niet vooraf bepaalde regels. Een interessante opmerking die een omkering van het auteurschap binnen de kunstproductie betekent; de kunstenaar noch de toeschouwer zijn verantwoordelijk voor een esthetische ervaring. Het materiaal zelf staat op de voorgrond in het vragen om een betekenisvol bestaan en dwingt de kunstenaar om door een proces van opeenvolgende artistieke keuzen tot zijn uiteindelijke vorm te komen. Ik zie met veel plezier een glorieuze toekomst voor de schilderkunst tegemoet.


Suzanne Wallinga is freelance curator.





  1. Voordracht door Alain Badiou op 4 december 2003 in The Drawing Center, New York. Volledige transcriptie is gepubliceerd in Lacanian Ink, Spring Issue, vol. 23 (Josefina Ayerza, ed.), 2004. http://www.lacan.com/frameXXIII7.htm, versie 14 april 2011.

  1. Tom Gidley in gesprek met Ryan Gander, 25 februari 2007, in relatie tot de tentoonstelling “Now We Are Here”, Associates Gallery, Londen (29 maart - 21 april 2007). http://www.associatesgallery.co.uk/pages/tomgid.html, versie 14 april 2011.

  1. Verwoert, Jan. “Emergence: On the Painting of Tomma Abts.” In: Szymczyk, Adam. Tomma Abts. Basel: Schwabe (2005): pp. 41-48.